Geld bepaalt vrijwel alles in het moderne leven. Geld is een gegeven en niemand staat meer stil bij het feit dat geld een uitvinding is. En dat slimme handelaren - ondanks hevig verzet van alle religies - aan die uitvinding rente hebben gekoppeld. Maar geld en rente zijn geen Siamese tweeling. Er bestaat ander geld. En daarmee bestaat er uitzicht op een heilzame, menselijke economie.
Als ik een kist appels van je leen omdat de oogst van mijn boom tegenvalt, verwacht je na de volgende oogst een kist appels terug. Of je krijgt een paar balen stro van mij in de tussentijd. De mensheid heeft eeuwenlang prima gefunctioneerd met dit systeem. Geld was aanvankelijk bedoeld om dit proces te vereenvoudigen - voor als er even geen appels of strobalen waren. Geld was een middel. En toen bedacht iemand, dat als je tien dukaten uitleende, je er elf terug kon vragen. Niemand vroeg ooit elf appels terug als hij er tien had uitgeleend. Maar met geld gebeurde dat wel: de rente was geboren. Niet zonder slag of stoot overigens. Religies hebben zich fel verzet. Jodendom, christendom en islam verbieden rente expliciet. De joden vonden al snel een uitweg. In het Oude Testament staat: 'Gij zult van uw volksgenoot geen rente nemen.' Er staat vervolgens expliciet dat dat van buitenlanders wel mag en dus vroegen de joden rente aan niet-joden. In Europa werd rente voor het eerst gelegaliseerd in 1545 door Hendrik VIII, nadat hij met de paus in Rome had gebroken. De katholieke kerk bleef zich tot in de negentiende eeuw tegen rente verzetten. Tegenwoordig keren alleen nog mullahs in moskeeën zich tegen rente. Een achterhoedegevecht, denken wij. Rente is algemeen geaccepteerd en niemand kan zich nog een wereld zonder rente voorstellen.
Toch is dat verzet tegen rente niet zo vreemd, want er is geen enkel systeem in de moderne economie dat zo ontwrichtend werkt. Rente dwingt tot concurrentie en tot eindeloze economische groei. Stel: ik leen 200.000 euro voor een hypotheek. De bank verwacht, dat ik in de volgende twintig jaar zo'n 400.000 euro terugbetaal. Anders ben ik mijn huis kwijt. Die extra 200.000 euro moet ergens vandaan komen. Iemand anders moet dat geld verliezen. Ik ben niet de enige. Hetzelfde geldt voor alle hypotheken in de hele wereld. En voor alle andere leningen. Vandaar die gigantische concurrentie. Vandaar dat Darwins overlevingstheorie zo gemakkelijk werd overgenomen in politieke en maatschappelijke kringen. Iedereen ervaart de competitie dagelijks. Het systeem van rente leidt ertoe, dat iemand anders failliet moet gaan om mij mijn huis te kunnen laten behouden. Iemand moet zijn 200.000 euro verliezen, zodat ik mijn 200.000 euro rente aan de bank kan betalen.
Of de economie groeit. Er komt door de economische groei meer geld, zodat meer mensen hun rente kunnen betalen. In dat geval bepaalt het rentepercentage het niveau van de economische groei. De groei dient altijd hoger te zijn dan de rente. Want als de rente te hoog is en de groei dus onvoldoende, is er te weinig geld en komen er meer faillissementen. Zo simpel is het. En uiteindelijk kan die groei nooit voldoende zijn, omdat de wiskundige reeks van rente op rente de aardse werkelijkheid te boven gaat. Als ik vandaag één euro op de bank zet, dan is die euro over duizend jaar gegroeid tot een bedrag met zo'n vijftig nullen. Of als Jozef en Maria voor hun zoon in het jaar 0 één cent op de bank hadden gezet tegen vier procent rente, dan hadden hun afstammelingen in 1749 recht gehad op een gouden bal met het gewicht van de aarde. En in 1990 zou dat vermogen al meer dan achtduizend gouden wereldbollen bevatten. Ofwel: de materie kan de rente nooit aan. Daarom is de koppeling van geld aan goud - de gouden standaard - uiteindelijk in 1971 definitief losgelaten.
Het moderne geld is niet gebonden aan materie, maar aan schulden. Steeds meer schulden. Maar daarmee is het probleem van de spanning tussen rente en economische groei niet opgelost. Rente zet nog steeds aan tot slopende concurrentie. Rente kan nog steeds niet zonder voortdurende economische groei - met alle bijbehorende negatieve gevolgen voor mens en natuur. Bovendien heeft rente tot gevolg, dat de rijkdom wordt geconcentreerd bij enkelingen ten koste van de grote massa. Rente voert naar ongelijkheid. Als je al geld hebt, is het makkelijker om meer geld te krijgen dan als je geen geld hebt. De rente werkt 'gratis' voor de rijken, terwijl de armen altijd een bijzondere inspanning moeten verrichten om een vermogen op te bouwen. Onderzoeken laten dan ook zien, dat uiteindelijk altijd meer geld terechtkomt bij degenen die het al hebben. Vandaar de krankzinnige situatie, dat de drie rijkste miljardairs ter wereld meer geld hebben dan het gezamenlijk nationaal inkomen van de vijftig armste landen. Een onhoudbare toestand. Je begrijpt waarom religies zich zo lang tegen rente hebben verzet. Je begrijpt ook, dat het systeem om via getrapte belastingen inkomensniveaus te nivelleren, is ontstaan in dezelfde tijd als het legaliseren van de rente.
Ten slotte staat de rente nuttige vooruitgang in de weg. De rente bepaalt de rentabiliteit van elke investering. Stel: ik investeer 1.000 euro in een zonnepaneel dat mij in de komende vijftien jaar jaarlijks een besparing van 100 euro op mijn elektriciteitskosten oplevert. Dat lijkt een prachtige rekensom: ik geef 1.000 euro uit, krijg 1.500 euro terug en maak in vijftien jaar dus 500 euro - de helft - winst. Maar in de rentewereld is deze rekensom helemaal niet mooi. Want als ik mijn 1000 euro vandaag op de bank zet, heb ik over vijftien jaar dankzij de rente ten minste 3.000 euro. Mijn investering in het zonnepaneel is dus helemaal niet rendabel. Dezelfde rekensom geldt voor tal van economische activiteiten: ze zijn pas rendabel als ze de 'automatische' winst van de rente verslaan. Vandaar ook de drukte en de stress.
In de complexe moderne maatschappij, waarin nog maar weinig mensen hun eigen appelbomen bezitten, kan niemand zonder geld. Alles draait om geld. En het soort geld bepaalt het soort samenleving. Dus leven we nu in een samenleving van concurrentie, opgelegde economische groei en concentratie van rijkdom. Een samenleving ook, waarin winst en rente tikkertje spelen en bedrijven geen kans krijgen om verder dan het volgende kwartaal vooruit te kijken. In die mallemolen vergeet je snel, dat het huidige systeem van geld en rente ook maar een keuze is. Er bestaan echter boeiende experimenten met andere vormen van geld, die hele andere effecten op de relaties tussen mensen hebben.
Een van de meest sprekende historische voorbeelden betreft het systeem van Silvio Gesell, een Argentijns-Duitse zakenman. Gesell was in 1918 korte tijd minister van financiën van de republiek Beieren. Hij verwierp het geldstelsel met rente, omdat het degenen met geld extra beloonde zonder dat zij daarvoor een inspanning leverden. Gesell stelde daarom een negatieve rente voor: voor het gebruik van geld moest - zoals voor het gebruik van elektriciteit of de telefoon - worden betaald. Naarmate je geld langer bij je houdt, moet je er meer voor betalen. Met dit systeem werd in de crisisjaren tussen 1924 en 1934 uitvoerig geëxperimenteerd in dorpen in Zuid-Duitsland en Oostenrijk. Bijvoorbeeld in het Oostenrijkse plaatsje Wörgl met 4.500 inwoners. Wörgl kende in het begin van de jaren dertig een hoge werkloosheid, vele gezinnen hadden geen cent meer te besteden. Er was werk voldoende - er was veel achterstallig onderhoud te verrichten aan de bestrating en de waterleiding - maar er was geen geld om het werk te betalen. Daarop gaf de gemeenteraad 5.500 nieuwe, renteloze schilling uit. Achter op de bankbiljetten stonden twaalf vakjes en de geldigheid van elk biljet kon na een maand - tegen betaling van één procent van de waarde - met een stempel van de gemeente worden verlengd. Dus een biljet van 100 schilling werd na een maand afgestempeld tot een biljet van 99 schilling. Deze 'gebruikersbelasting' stimuleerde de bevolking geld uit te geven om te voorkomen dat aan het einde van de maand voor het geldbezit moest worden betaald. Sparen werd dus ontmoedigd, maar investeren werd beloond. De inwoners van Wörgl betaalden hun rekeningen, belastingen en lonen zo snel mogelijk en handelaren waren genereus met het verstrekken van kredieten aan elkaar. De werkloosheid daalde van meer dan dertig procent tot een marginaal niveau. Huizen werden gerestaureerd, wegen vernieuwd en waterleidingen gemoderniseerd. Een plaquette op de brug herinnerde trots aan de episode: 'Deze brug is gebouwd met ons eigen vrije geld.' En met de opbrengst van de gebruikersbelasting werd een gaarkeuken voor de gemeenschap gefinancierd.
De activiteit reikte overigens veel verder dan de lijst met achterstallig onderhoud van de gemeenteraad. De circulatie van de nieuwe schilling begon met de betaling van de mensen die werk voor de gemeente deden, maar het geld verspreidde zich via hen snel tussen de overige inwoners. In de veertien maanden tussen juli 1932 en november 1933 wisselden de 5.500 nieuwe schilling 416 maal van eigenaar, waarmee dus economische activiteiten ter waarde van zo'n 2,5 miljoen schilling kon worden betaald. De nieuwe schilling creëerde meer dan tien maal zoveel werkgelegenheid als de gewone rentedragende Oostenrijkse munt, die op de bank bleef staan. Anders gezegd: rentegeld creëert schaarste en rentevrij geld stimuleert activiteit.
Het succes van Wörgl trok de aandacht. Tweehonderd andere Oostenrijkse dorpen volgden het voorbeeld. De Franse premier Edouard Dalladier kwam op bezoek. Maar in 1934 slaagde de Oostenrijkse centrale bank, die haar autoriteit ondermijnd zag, erin de experimenten illegaal te laten verklaren door het Hooggerechtshof in Wenen. Een schrale troost voor Gesell was, dat John Maynard Keynes in dezelfde tijd in zijn General Theory constateerde, dat het systeem werkte. Sterker nog, hij voorspelde: 'De toekomst zal meer leren van Gesell dan van Marx.'
We zijn bijna een eeuw verder en de voorspelling van Keynes is nog niet uitgekomen. Toch waart de geest van Gesell thans rond in wereldwijd al meer dan 2.000 complementaire geldstelsels in Nieuw-Zeeland, Australië, de Verenigde Staten, Canada en de Europese Unie. Zo'n geldstelsel ontstaat als een gemeenschap afspreekt om een niet gangbare valuta als betaalmiddel te aanvaarden - zoals destijds in Wörgl. Het was de Canadees Michael Linton die de complementaire geldstelsels in het begin van de jaren tachtig nieuw leven inblies. Hij introduceerde het Local Exchange Trading System (Lets). Via een Lets-stelsel ontstaat een lokale, parallelle economie zonder geldtekort, waarin mensen onderlinge diensten verrekenen. De leden van een Lets-systeem verlenen elkaar diensten waarbij (gedeeltelijk) in een nieuwe rekeneenheid - bijvoorbeeld 'groene euro's' - wordt afgerekend. Voorbeeld: Annemieke laat een lekkage in haar huis repareren door Karel die loodgieter is. Ze betaalt Karel 40 groene euro's voor zijn werk en nog eens 15 gewone euro's voor een nieuwe kraan. Vervolgens gaat Annemieke naar de kapper waar ze 30 groene euro's betaalt en 10 gewone euro's voor shampoo en een borstel. Annemieke, die in haar tuin groente verbouwt, spreekt met haar buurvrouw Carla af om haar deze week voor 30 groene euro's groente te leveren. En buurman Hans levert zij groente voor 20 groene euro's.
De gewone euro's worden meteen cash afgerekend. De transacties in groene euro's worden aangemeld op de website van het Lets-systeem. De totale 'rekening' van Annemieke ziet er als volgt uit: zij heeft voor een waarde van 95 euro diensten en producten gekocht, maar ze heeft slechts 25 euro cash hoeven te betalen. Daarnaast heeft zij in het Lets-systeem nog een schuld van 20 euro, die zij met bijvoorbeeld meer groenteleveranties kan inlossen. Lets is meer dan ruilhandel. Via de website van het stelsel kan Annemieke haar schuld van 20 groene euro inlossen bij wie dan ook in de Lets-kring. Er hoeft geen sprake te zijn van precies passende, wederkerige behoeften. Daarom zijn de groene euro's echt geld. In een Lets-stelsel is nooit gebrek aan geld: er ontstaat geld zodra mensen met elkaar willen handelen. Er bestaat geen rente die mensen tegen elkaar uitspeelt. Integendeel, Lets stimuleert samenwerking en versterkt onderlinge relaties.
De Lets-systemen van Michael Linton hebben zich over de hele wereld verspreid. Er bestaan ook andere, vergelijkbare stelsels. 'Tijdgeld' bijvoorbeeld, waarbij uren worden verrekend. Peter werkt een uur in de tuin van Christine en daarmee kan hij een uur door Johan zijn auto laten poetsen. Ithaca, een stadje met 27.000 inwoners in de staat New York in de Verenigde Staten, gebruikt een verfijning van zo'n tijdgeld-stelsel. Twee keer per maand verschijnt een krant waarin inwoners en lokale bedrijven adverteren dat zij Ithaca hours accepteren. Het uitgangspunt van de 'hour' is een minimumloon van tien dollar per uur. Aan het systeem doen 1.200 individuen en 200 bedrijven mee, waaronder een supermarkt, bioscopen, advocaten en restaurants. In de krant staat wat zij te bieden hebben. Dat betreft een combinatie van gewone dollars en Ithaca hours. Een loodgieter adverteert, dat hij beschikbaar is voor 15 dollar per uur, 80-20. Dat wil zeggen, dat hij 80 procent van zijn loon in Ithaca hours accepteert. Een bioscoop of restaurant kan bijvoorbeeld 's middags - als er toch minder klandizie is - 100 procent Ithaca hours aanvaarden. In dat geval staat de bioscoop of het restaurant voor de keuze van een lege stoel of een bezette stoel waarvoor met Ithaca hours wordt betaald. Het etablissement bouwt dan naast de reguliere omzet een tegoed in Ithaca hours op waarmee in de gemeenschap bepaalde diensten - bijvoorbeeld de glazenwasser - kunnen worden verkregen.
In Japan bestaat een 'gezondheidsvaluta'. Vrijwilligers die een zieke of een bejaarde verzorgen, bouwen een krediet op waarmee zij of hun familie of vrienden vergelijkbare zorg kunnen verkrijgen. Zulke systemen kunnen een grote omvang krijgen. In Zwitserland bestaat sinds 1934 het nationale complementaire stelsel WIR met 80.000 leden en thans een jaaromzet van zo'n 2,5 miljard Zwitserse frank. Een moderne variant van een complementair stelsel betreft de airmiles of frequent flyer miles. Aanvankelijk ging het daarbij alleen om een relatie tussen luchtvaartmaatschappijen en hun passagiers. Intussen zijn deze systemen uitgegroeid tot een 'valuta' die ook aan de benzinepomp of in de supermarkt wordt verhandeld. De betekenis van dergelijke alternatieve betaalsystemen zal slechts toenemen, omdat bedrijven op die manier trachten klanten aan zich te binden. Hoe meer een onderneming een klant kan bieden met zijn zegels of airmiles - als je er méér mee kunt doen dan vliegen - des te interessanter wordt die onderneming voor die klant. Op die manier neemt ook het belang van het complementaire geldsysteem toe. Het zal ook steeds eenvoudiger worden om complementaire munten te wisselen tegen echte euro's of dollars. Als je roebels kunt wisselen tegen dollars, waarom zou je dan geen airmiles tegen euro's kunnen wisselen?
De airmiles wijzen de weg naar de toekomst van de complementaire stelsels. Zulke stelsels zijn in potentie veel meer dan 'ouderwets ruilhandel spelen door goedbedoelende idealisten op geitenwollen sokken'. De scepsis verdwijnt en overheden in Nieuw-Zeeland, Australië, Amerikaanse staten en in landen van de Europese Unie dragen thans actief bij aan het tot stand brengen van dergelijke stelsels. Ook de houding van de centrale banken verandert. Zo heeft de centrale bank van Nieuw-Zeeland als eerste openlijk erkend, dat complementaire geldsystemen helpen om de inflatie te beteugelen. In zo'n stelsel kan iemand immers alleen een krediet verwerven als daar een schuld van iemand anders tegenover staat. De som van alle activiteiten is altijd nul - de geldhoeveelheid blijft hetzelfde. Maar intussen zijn wel allerlei huizen geschilderd, tuinen onderhouden en auto's gerepareerd. Ofwel: economische behoeften worden vervuld zonder dat er extra geld nodig is. Complementaire systemen maken transacties mogelijk die anders niet zouden plaatshebben. Er is dus sprake van méér economische activiteit. Complementaire systemen voorkomen, dat de samenleving verlamd raakt door gebrek aan geld. Want het is toch krankzinnig, dat het regelmatig voorkomt dat veel mensen het nut van een bepaald werk zien - bijvoorbeeld het opknappen van de school - en dat er bovendien mensen zijn die dat werk graag zouden doen, maar dat het toch niet gebeurt omdat er geen geld voor is.
Complementaire systemen stimuleren bovendien wederkerigheid en samenwerking. Ze versterken de gemeenschap. En dat heeft nog een bijzonder bijkomend effect: meer gezondheid. Een ziektekostenverzekeraar in de Verenigde Staten biedt lagere premies aan deelnemers aan een Lets-kring in Brooklyn in New York, omdat de maatschappij heeft vastgesteld dat die mensen minder vaak ziek zijn. Daarnaast kunnen complementaire systemen een vitaal instrument zijn voor de financiering van plaatselijke bedrijvigheid. De stelsels helpen lokale kleine bedrijven concurreren tegen de opmars van grote winkelketens. Lokale ondernemingen kunnen veel beter gebruikmaken van het plaatselijke aanbod dan de ketens die hun producten en diensten centraal grootschalig inkopen. Dat is een belangrijk voordeel voor de gemeenschap, omdat niet de grote ketens, maar de kleine, lokale bedrijven de voornaamste bron van werkgelegenheid zijn. Een complementair stelsel kan ook helpen om een nieuwe kleine onderneming te financieren. Een klein bedrijf krijgt immers veel minder makkelijk een lening van een bank dan een nieuwe vestiging van een bekende internationale franchise-formule. Stel: ik heb geld nodig, want ik wil een café beginnen. Ik geef voor 120 euro bonnen uit die de klant in mijn café kan besteden. Daarvoor betaalt de klant 100 euro - hij krijgt dus twintig procent korting. Maar als mijn kosten 40 euro bedragen, verdien ik nog steeds 60 euro aan mijn klant. We hebben beiden voordeel. Ik heb financiering en een loyale klant en mijn klant geniet van een korting die hij in een ander café niet krijgt.
De economische waarde van complementaire systemen is vérstrekkend en kan voorbij de lokale voorbeelden van hierboven reiken. De Belgische bankier Bernard Lietaer stelt in zijn recente boek The Future of Money voor om wereldwijd een complementair geldsysteem - de terra - te introduceren. De terra bestaat uit een mandje van grondstoffen (olie, graan, koper, goud et cetera). Het aandeel van de grondsstoffen in de terra wordt bepaald door het aandeel van die grondstoffen in de wereldhandel. De waarde van de terra is gelijk aan de waarde van het mandje grondstoffen en is daarmee dagelijks te vinden op de financiële pagina's. De terra geeft overigens daadwerkelijk recht op de onderliggende grondstoffen. Je kan de nieuwe valuta zien als een coupon, waarmee je in het 'terrapakhuis' de grondstoffen kunt ophalen. De eigenaar van de terra betaalt jaarlijks zo'n 3 procent van de waarde van zijn grondstoffen als opslagkosten. Die kosten zijn vergelijkbaar met de negatieve rente van Silvio Gesell en zullen de terrabezitter stimuleren om zijn terra's uit te geven.
Het initiatief tot de terra zou moeten worden genomen door het multinationale bedrijfsleven - maar zodra de terra circuleert, kan elke wereldburger ermee handelen. Het bedrijfsleven heeft tegenwoordig een veel grotere invloed op de economie dan regeringen en bovendien lijden bedrijven het meest onder de wisselkoersschommelingen die de huidige financiële markten kenmerken. De koersfluctuaties die de wereldhandel plagen, zijn in belangrijke mate een gevolg van het verbreken in 1971 - met het loslaten van de gouden standaard - van de relatie tussen de financiële en de fysieke wereld. De terra brengt die relatie terug. De behoefte aan stabiliteit blijkt onder meer uit de snelle groei van barter of ruilhandel. Thans bedraagt de waarde van de ruilhandel jaarlijks naar schatting al 1.000 miljard dollar. Van de 500 grootste bedrijven zijn twee van de drie regelmatig bij barter betrokken.
De terra is niet kwetsbaar voor inflatie. Inflatie wordt immers gedefinieerd als de verandering van de prijs van een bepaalde hoeveelheid producten en diensten. Maar in het geval van de terra leiden prijswijzigingen ook tot wijzigingen in de wereldhandel - als olie duurder wordt, worden er meer kolen verhandeld - waardoor ook de grondstoffenverhouding in het mandje van de terra wijzigt. De terra draagt nog verder bij aan een stabiele wereldeconomie. Als een recessie dreigt en er dus een overschot aan grondstoffen ontstaat, zullen bedrijven hun grondstoffen tegen terra's willen verkopen. Die terra's zullen zij vervolgens zo snel mogelijk willen uitgeven om te voorkomen dat zij de opslagkosten moeten betalen. Op die wijze stimuleert de terra economische activiteit op het moment dat de gangbare economie in het slop raakt. Andersom: als de economie op zijn top is, helpt de terra de bedrijvigheid afkoelen. In dat geval zullen de bedrijven immers hun terra's zoveel mogelijk willen inwisselen tegen grondstoffen. Er komen dus minder terra's in circulatie en daardoor vermindert de economische activiteit.
Het stimuleren en invoeren van complementaire geldsystemen zal een heilzaam effect hebben op de wereldeconomie. Dat wil niet zeggen, dat zulke stelsels een medicijn bieden voor alle economische problemen. Sommige investeringen vragen bijvoorbeeld om massale investeringen: met een Lets-kring bouw je geen staalfabriek. Maar als het gaat om meer menselijkheid in de economie, is de toevoeging van complementaire stelsels - naast de nationale valuta - nuttig en relevant. Complementaire systemen voeden activiteiten en sociale functies die euro's niet mogelijk maken. Ze doorbreken de ondermijnende cyclus van rente en winst. Centrale bankiers zijn thans dagelijks in het nieuws met hun wanhopige pogingen om de uit de hand lopende geldstromen in de wereld te beteugelen. Maar niemand krijgt de geest van de rente terug in de fles. Het gekozen systeem van geld en rente bepaalt de wijze waarop wordt geïnvesteerd, gehandeld en geleefd. In dat systeem is geld een doel geworden, vaak ten koste van mens en natuur. Door een nieuw geldsysteem - waarin geld een middel is en waarin geen rente bestaat - toe te voegen, kan de hervorming van de wereldeconomie beginnen. Uiteindelijk is geld een middel om ons leven te dienen.
© Jurriaan Kamp
Bron: Ode magazine



